EG-verordeningen inzake de sociale zekerheid bepalen dat in beginsel slechts één wetgeving van toepassing is. Volgens deze verordeningen heeft een in België wonende gepensioneerde met een pensioen uit Nederland recht op zorg in België ten laste van Nederland. Nederland heft in verband daarmee op grond van de Zorgverzekeringswet een buitenlandbijdrage. Deze wordt ingehouden op Nederlandse pensioenen van een in het buitenland wonende pensioengerechtigde.
De vraag in een procedure voor de Centrale Raad van Beroep was of de buitenlandbijdrage beperkt moet zijn tot de AOW-uitkering of ook mag worden berekend over een aanvullend pensioen. De belanghebbende in de procedure beriep zich op een arrest van het Hof van Justitie EU. Dat arrest had betrekking op een inwoner van Ierland met twee aanvullende pensioenen van een Belgische werkgever, die geen wettelijk pensioen uit een lidstaat van de EU ontving. Volgens het Hof van Justitie EU was alleen de Ierse wetgeving van toepassing en mocht België geen sociale bijdragen inhouden op de pensioenen.
De Centrale Raad van Beroep is van oordeel dat dit arrest niet van toepassing is op iemand die in het buitenland woont en een wettelijk pensioen en een aanvullend pensioen uit Nederland ontvangt. Nederland is in dit geval bevoegd om een bijdrage te heffen en te innen. Op welke wijze de berekening van deze bijdrage plaatsvindt, is door de EG-verordeningen niet geregeld maar wordt overgelaten aan de nationale wetgeving. In de rechtspraak van het Hof van Justitie EU zijn geen aanknopingspunten te vinden dat Nederland de buitenlandbijdrage niet over aanvullende pensioenen zou mogen berekenen.
Om recht te hebben op een WW-uitkering is een werkloze verplicht om te solliciteren. Er geldt een vrijstelling van de sollicitatieplicht voor uitkeringsgerechtigden die op de eerste dag van hun werkloosheid minder dan één jaar van het recht op AOW-pensioen zijn verwijderd. Deze vrijstelling geldt nu ook voor werklozen, die tijdens de duur van hun WW-uitkering deze leeftijd bereiken. De vrijstelling gaat ook gelden voor mensen die een IOW-, ZW- of WGA-uitkering ontvangen. Hoewel de sollicitatieplicht ook voor ouderen tot meer werkhervatting leidt, is het effect van de uitbreiding van de vrijstelling beperkt.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft vragen over de compensatieregeling voor zwangere zzp’ers beantwoord. De vorige minister heeft op 17 oktober 2017 een ministeriële regeling aangekondigd, maar tot op heden is deze regeling nog niet gepubliceerd in de Staatscourant. De aangekondigde regeling ziet er op hoofdlijnen als volgt uit. Vrouwelijke zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten hebben recht op compensatie als ze zijn bevallen tussen 7 mei 2005 en 4 juni 2008. De compensatie moet worden aangevraagd bij het UWV. De hoogte van de compensatie bedraagt 90% van het wettelijk minimumloon per dag inclusief vakantiebijslag en wordt berekend over een periode van 80 dagen. Dat komt neer op een bedrag van ongeveer € 5.600.
Het UWV en de Belastingdienst hebben de regeling op uitvoerbaarheid getoetst. Naar aanleiding daarvan is de regeling aangepast. Dat heeft tot gevolg dat de compensatie vanaf 1 januari 2019 zal worden uitgekeerd. Het streven is om de regeling nog in deze maand te publiceren in de Staatscourant en op 15 mei 2018 in werking te laten treden. Tot 1 oktober 2018 kunnen de zelfstandigen die daarvoor in aanmerking komen een aanvraag indienen. De aanvraagtermijn zou aanvankelijk drie maanden bedragen maar is verruimd naar vierenhalve maand.
In het Regeerakkoord is afgesproken om het verlof voor partners bij de geboorte van het kind uit te breiden van twee doorbetaalde dagen naar een week, met aanvullend vijf weken verlof zonder loon, maar met een uitkering van 70% van het loon. Het aanvullende verlof kan worden opgenomen in de eerste zes maanden na de bevalling.
Het adoptie- en pleegzorgverlof wordt volgens deze afspraken verlengd van vier naar zes weken, met recht op een uitkering van 100% van het dagloon. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een conceptwetsvoorstel nu ter consultatie gepubliceerd. Belangstellenden kunnen tot 19 maart op www.internetconsultatie.nl reageren op het conceptwetsvoorstel.
De minister van Sociale Zaken heeft gereageerd op berichten in de media over verzwaring van de toegangseis voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. In het regeerakkoord van het huidige kabinet wordt voorgesteld om bij de aanvraag voor een uitkering beter te kijken naar geschikt werk en de mate van arbeidsongeschiktheid. Uit een steekproef onder 170 volledig arbeidsongeschikte personen is gebleken dat 9% van hen minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn bij toepassing van het in het regeerakkoord voorgestelde criterium. Op basis van die mate van arbeidsongeschiktheid zouden deze mensen niet in aanmerking komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Een uitgewerkt voorstel voor aanpassing van het arbeidsongeschiktheidscriterium is er nog niet. De minister wil daarover eerst in gesprek met werkgevers- en werknemersorganisaties. Naar verwachting komt de minister in de loop van het voorjaar met uitgewerkte voorstellen.
Een werknemer heeft gedurende een tijdvak van 104 weken recht op doorbetaling van loon bij arbeidsongeschiktheid. De loondoorbetaling bedraagt wettelijk 70% van het vastgestelde loon en gedurende de eerste 52 weken ten minste het voor de werknemer geldende wettelijk minimumloon. Werkgever en werknemer kunnen hogere bedragen aan doorbetaling overeenkomen. In de praktijk komt vaak voor dat een arbeidsongeschikte werknemer de eerste 52 weken recht heeft op 100% doorbetaling van het loon.
In een procedure voor Hof Den Bosch stelde een werkgever zich op het standpunt dat hij de loondoorbetaling aan een arbeidsongeschikte werknemer mocht opschorten. Volgens de werkgever mocht hij bedragen die de werknemer tijdens ziekte ontving in mindering brengen op het uit te betalen loon. De werkgever had de werknemer gevraagd om informatie over andere inkomsten. Omdat de werknemer geen informatie verstrekte meende de werkgever dat hij zijn loondoorbetalingsverplichting mocht opschorten. De werknemer bestreed dat hij neveninkomsten had gehad tijdens zijn ziekteperiode.
De wet geeft aan de werkgever de bevoegdheid om de loondoorbetaling op te schorten, maar die bevoegdheid geldt voor de situatie waarin de werknemer zich niet houdt aan door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften over het verstrekken van de inlichtingen die de werkgever nodig heeft om het recht op loon vast te stellen. De werkgever mag van die bevoegdheid alleen gebruik maken als hij voldoende concrete aanwijzingen heeft dat de werknemer tijdens ziekte inkomsten elders heeft ontvangen.
Het hof oordeelde dat de werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werknemer tijdens zijn ziekteperiode inkomsten heeft genoten voor werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd dat hij voor de werkgever had kunnen werken als hij niet ziek zou zijn geweest. Het was de werknemer niet verboden om nevenwerkzaamheden te verrichten. Als hij daarmee inkomsten zou hebben gegenereerd mochten die niet op het loon in mindering worden gebracht. Het hof wees de vordering van de werknemer tot doorbetaling van loon toe.
In antwoord op een prejudiciële vraag van de Hoge Raad over de premieheffing heeft het Hof van Justitie EU geoordeeld dat een inwoner van een lidstaat van de EU, die onbetaald verlof neemt om in die periode werkzaamheden in loondienst te verrichten in een andere lidstaat, moet worden beschouwd als een persoon die op het grondgebied van twee lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen.
De procedure had betrekking op een vrouw die onbetaald verlof opnam om in Oostenrijk als skilerares te werken. Tijdens het onbetaalde verlof behield zij volgens de Hoge Raad in Nederland de hoedanigheid van werknemer voor de socialezekerheidswetgeving, omdat de dienstbetrekking bleef bestaan. Zij was dus verzekerd voor de Werkloosheidswet en kon aan die verzekering tijdens de periode van onbetaald verlof rechten ontlenen.
De Hoge Raad merkt op dat het voldoende is dat iemand voor ten minste één tak van sociale zekerheid de hoedanigheid van werknemer heeft behouden. Daarbij is niet van belang dat de Werkloosheidswet een werknemersverzekering is, terwijl de procedure betrekking had op de premieheffing voor de volksverzekeringen. De uitkomst van de procedure was dat de vrouw ook tijdens haar onbetaald verlof moest worden beschouwd als een persoon die werkzaamheden in loondienst in Nederland pleegt uit te oefenen. Gezien de omvang en duur van de werkzaamheden in Oostenrijk tijdens het onbetaald verlof werd de vrouw tijdens die periode tevens beschouwd als een persoon die werkzaamheden in loondienst in Oostenrijk pleegt uit te oefenen. Op grond van de Europese verordening was de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing.